Aftrekken tot 20
Je kind trekt af tot 20: eerst alle aftreksommen tot 10 vlot en zonder te tellen via vaste somtypen, daarna tussen 10 en 20 naar analogie van de kleine som, en tot slot over het tiental via de 10. Ook afhaal-, aanvul- en verschilsituaties.
Wat je kind oefent
- BegrijpenTerugtellen met sprongen van 1 en 2 (−1, −2).
- BegrijpenVijfsommen: 5 eraf of tot 5 terug (9 − 4, 8 − 5).
- BegrijpenVan 10 aftrekken met de vriendjes van 10.
- Begrijpen(Bijna-)verdwijnsommen: alles eraf of bijna alles eraf.
- ZelfstandigOverige aftreksommen tot 10 via de 5-structuur van het rekenrek.
- ZelfstandigAlle aftreksommen tot 10 vlot: het antwoord weten binnen ongeveer 3 seconden.
- ZelfstandigTussen 10 en 20 zonder overschrijding via de kleine som.
- ZelfstandigDe eenheden eraf zodat je op 10 uitkomt.
- ToepassenOver het tiental terug via de 10 in twee stappen.
- BegrijpenBij een eraf- of wegverhaal de minsom maken en uitrekenen.
- ToepassenAanvulverhaal: hoeveel moet er nog bij? Er horen een plus- en een minsom bij.
- ToepassenVerschilverhaal: hoeveel meer of minder? Er horen twee sommen bij.
- ZelfstandigAftrekken en optellen als omgekeerde handelingen: een minsom controleren of uitrekenen met de plussom.
- BegrijpenAftrekken bij een gestructureerd beeld (rekenrek, tienstructuur): er gaan er wat af.
- ZelfstandigTerugspringen op de getallenlijn, vooral bij over het tiental.
Probeer het zelf
Zo ziet een opdracht eruit. In Stofferblik krijgt je kind steeds nieuwe opdrachten op zijn of haar niveau.