Patronen en verbanden in datasets
Je kind herkent en beschrijft patronen en verbanden in een verzameling gegevens: een trend, een herhaling, een verband tussen twee kenmerken en een waarde die niet in het patroon past, en voorspelt een volgende waarde.
Wat je kind oefent
- BegrijpenEen trend in een tabel herkennen: stijgt, daalt of blijft gelijk.
- ZelfstandigEen terugkerend patroon in gegevens herkennen (elke dag, elke week).
- ZelfstandigEen verband tussen twee kenmerken beschrijven (hoe langer, hoe zwaarder).
- ToepassenEen waarde vinden die niet in het patroon past.
- ToepassenMet het patroon een volgende waarde voorspellen.