Taal en spelling · groep 4

Zinnen verbinden

Je kind verbindt twee zinnen met een passend verbindingswoord (en, maar, want, omdat, dus, toen) en kiest de goed verbonden zin.

Wat je kind oefent

  • BegrijpenKiezen tussen en en maar.
  • ZelfstandigEen reden aangeven met want of omdat; een gevolg met dus.
  • ZelfstandigTijd in een verhaal verbinden met toen of daarna.
  • ToepassenUit een paar verbonden zinnen de zin kiezen die klopt.

Probeer het zelf

Zo ziet een opdracht eruit. In Stofferblik krijgt je kind steeds nieuwe opdrachten op zijn of haar niveau.

Niveau 1: Begrijpen

Welk woord past? Lisa houdt van zwemmen ... van fietsen.

Niveau 2: Zelfstandig

Welk woord past? Noor blijft thuis, ... ze is ziek.

Niveau 2: Zelfstandig

Welk woord past? Lisa pakte haar tas. ... fietste ze naar school.