Taal en spelling · groep 5

Stam bepalen

Je kind bepaalt de stam van een werkwoord (hele werkwoord min -en: lopen → loop, fietsen → fiets, ook bij verdubbeling en v/z: zitten → zit, leven → leef).

Wat je kind oefent

  • BegrijpenDe stam: hele werkwoord min -en.
  • ZelfstandigDe stam bij verenkeling en verdubbeling (lopen → loop, zitten → zit).
  • ToepassenDe stam bij v en z (leven → leef, verhuizen → verhuis).
  • ZelfstandigDe stam is de ik-vorm (ik loop).

Probeer het zelf

Zo ziet een opdracht eruit. In Stofferblik krijgt je kind steeds nieuwe opdrachten op zijn of haar niveau.

Niveau 1: Begrijpen

Wat is de stam van ‘drinken’?

Niveau 2: Zelfstandig

Wat is de stam van ‘vallen’?

Niveau 2: Zelfstandig

Maak de ik-vorm (nu): ik … (werken)