Spellingregel kiezen
Je kind kiest de spellingregel die bij een woord hoort en past die toe: tussenletters in samenstellingen (s, e, en), stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden, achtervoegsels (-ig, -lijk, -isch) en lastige meervouden.
Wat je kind oefent
- BegrijpenDe tussenletter in een samenstelling kiezen (s, e of en).
- ZelfstandigHet stoffelijk bijvoeglijk naamwoord goed schrijven (houten, gouden, zilveren).
- ZelfstandigKiezen tussen -ig en -lijk, en woorden met -isch goed schrijven.
- ToepassenLastige meervouden goed schrijven (monniken, dreumesen, kometen).
- ToepassenBij een woord de regel kiezen die je helpt het goed te schrijven.
- ZelfstandigHet bijvoeglijk naamwoord zelf invullen in een zin, als de spelling verandert (lief → lieve, wit → witte, glas → glazen).
- ToepassenHet meervoud zelf invullen in een zin: met ’s, met -s na een klinker, met een trema, of onregelmatig (kalveren, steden).
Probeer het zelf
Zo ziet een opdracht eruit. In Stofferblik krijgt je kind steeds nieuwe opdrachten op zijn of haar niveau.