Rekenen met tijd in context
Je kind rekent met tijd in alledaagse situaties: hoe lang duurt iets (hele en halve uren, 15, 20, 30 en 60 minuten), hoe laat is het als iets afgelopen is en hoeveel dagen of weken tot een gebeurtenis.
Wat je kind oefent
- BegrijpenTijdsduur tussen twee tijden in hele uren.
- ZelfstandigHoe laat is het als iets afgelopen is?
- ZelfstandigTijdsduur in 15, 20, 30 of 60 minuten.
- ToepassenRekenen met tijd bij een planning (samen, hoeveel tijd over).
- ToepassenRekenen met dagen en weken (over 2 weken is het …).
Probeer het zelf
Zo ziet een opdracht eruit. In Stofferblik krijgt je kind steeds nieuwe opdrachten op zijn of haar niveau.