Gesproken tekst begrijpen
Je kind luistert naar een voorgelezen tekst of instructie en beantwoordt vragen: wie, waar en wat; de volgorde; wat er gaat gebeuren; waar het over gaat; en voert een gesproken opdracht uit.
Wat je kind oefent
- BegrijpenNa het luisteren zeggen wie, wat en waar.
- ZelfstandigDe gebeurtenissen in de goede volgorde zetten.
- BegrijpenEen gesproken opdracht begrijpen en uitvoeren.
- ToepassenVoorspellen wat er daarna gebeurt.
- ToepassenZeggen waar de tekst over gaat (onderwerp, samenvatting in één zin).
- ToepassenBegrijpen naar wie een verwijswoord verwijst (hij, zij, hem).