Taal en spelling · groep 3

Gesproken tekst begrijpen

Je kind luistert naar een voorgelezen tekst of instructie en beantwoordt vragen: wie, waar en wat; de volgorde; wat er gaat gebeuren; waar het over gaat; en voert een gesproken opdracht uit.

Wat je kind oefent

  • BegrijpenNa het luisteren zeggen wie, wat en waar.
  • ZelfstandigDe gebeurtenissen in de goede volgorde zetten.
  • BegrijpenEen gesproken opdracht begrijpen en uitvoeren.
  • ToepassenVoorspellen wat er daarna gebeurt.
  • ToepassenZeggen waar de tekst over gaat (onderwerp, samenvatting in één zin).
  • ToepassenBegrijpen naar wie een verwijswoord verwijst (hij, zij, hem).