Taal en spelling · groep 4

Expliciete informatie vinden

Je kind vindt in een korte tekst informatie die er letterlijk staat: wie, wat, waar, wanneer, hoeveel, en wijst de zin of het woord met het antwoord aan.

Wat je kind oefent

  • BegrijpenEen vraag naar wie, wat of waar beantwoorden met informatie die letterlijk in de tekst staat.
  • ZelfstandigEen vraag naar hoeveel of wanneer beantwoorden.
  • ZelfstandigHet woord in de tekst aantikken dat het antwoord geeft.
  • ToepassenBeoordelen of iets wel of niet in de tekst staat.

Probeer het zelf

Zo ziet een opdracht eruit. In Stofferblik krijgt je kind steeds nieuwe opdrachten op zijn of haar niveau.

Niveau 1: Begrijpen

Lees de tekst. Wat moet Sam meenemen?

Lieve Sam, Ik word acht jaar! Kom je op mijn feestje? Het feest is op zaterdag 12 mei. We beginnen om 2 uur en om 5 uur word je weer opgehaald. Het feest is bij mij thuis, Dorpsstraat 4. We gaan een speurtocht doen, dus neem je laarzen mee! Groetjes, Noor

Niveau 2: Zelfstandig

Lees de tekst. Wanneer moet de loper nog een keer?

Ga met alle kinderen in een kring zitten. Eén kind loopt met een zakdoek om de kring. Het legt de zakdoek stil achter iemand neer. Die persoon pakt de zakdoek en rent erachteraan. Tikt hij de loper voordat die op de lege plek zit? Dan moet de loper nog een keer.

Niveau 3: Toepassen

Staat dit in de tekst? ‘Pinguïns eten gras.’

Een pinguïn is een vogel, maar hij kan niet vliegen. Hij kan wel heel goed zwemmen. Onder water gebruikt hij zijn vleugels als peddels. Pinguïns eten vis. De meeste pinguïns wonen op het zuidelijk halfrond, waar het koud is. Ze staan vaak dicht tegen elkaar aan om warm te blijven.