Taal en spelling · groep 4

Woordrelaties herkennen

Je kind herkent betekenisrelaties tussen woorden: boven- en onderschikking (dier – hond), deel en geheel (wiel – fiets), tegenstelling en welk woord niet in een rij past.

Wat je kind oefent

  • BegrijpenHet overkoepelende woord kiezen bij een rij woorden.
  • ZelfstandigHet woord kiezen dat niet in de rij past.
  • ZelfstandigEen deel aan het geheel koppelen.
  • ToepassenWoorden kiezen die een soort zijn van een overkoepelend woord.

Probeer het zelf

Zo ziet een opdracht eruit. In Stofferblik krijgt je kind steeds nieuwe opdrachten op zijn of haar niveau.

Niveau 1: Begrijpen

Welk woord past bij al deze woorden?

schroevendraaier, moersleutel, boor

Niveau 2: Zelfstandig

Welk woord hoort er niet bij? rok, boor, moersleutel, schroevendraaier

Niveau 2: Zelfstandig

Van welk ding of dier is ‘wijzer’ een deel?