Taal en spelling · groep 6

Overeenkomsten en verschillen tussen teksten benoemen

Je kind vergelijkt twee korte teksten over hetzelfde onderwerp: wat staat in allebei, wat verschilt, en waar spreken ze elkaar tegen.

Wat je kind oefent

  • BegrijpenAanwijzen wat in beide teksten staat.
  • ZelfstandigAanwijzen wat alleen in één tekst staat.
  • ToepassenZien waar de teksten elkaar tegenspreken.

Probeer het zelf

Zo ziet een opdracht eruit. In Stofferblik krijgt je kind steeds nieuwe opdrachten op zijn of haar niveau.

Niveau 1: Begrijpen

Twee teksten over de fiets. Wat staat in allebei?

Tekst A: In Nederland zijn meer fietsen dan mensen. De eerste fiets had geen trappers. Veel kinderen fietsen naar school. ¶ Tekst B: Nederland telt zo’n 23 miljoen fietsen, meer dan er mensen wonen. De eerste fiets had wel trappers. Fietsen is gezond.

Niveau 2: Zelfstandig

Twee teksten over de fiets. Wat staat alleen in tekst B?

Tekst A: In Nederland zijn meer fietsen dan mensen. De eerste fiets had geen trappers. Veel kinderen fietsen naar school. ¶ Tekst B: Nederland telt zo’n 23 miljoen fietsen, meer dan er mensen wonen. De eerste fiets had wel trappers. Fietsen is gezond.

Niveau 3: Toepassen

Twee teksten over de fiets. Waar spreken ze elkaar tegen?

Tekst A: In Nederland zijn meer fietsen dan mensen. De eerste fiets had geen trappers. Veel kinderen fietsen naar school. ¶ Tekst B: Nederland telt zo’n 23 miljoen fietsen, meer dan er mensen wonen. De eerste fiets had wel trappers. Fietsen is gezond.