Taal en spelling · groep 6

Signaalwoorden gebruiken

Je kind gebruikt signaalwoorden om zinnen te verbinden: omdat/want (reden), maar (tegenstelling), daarna/toen (tijd), dus (gevolg), bijvoorbeeld (voorbeeld).

Wat je kind oefent

  • BegrijpenZinnen verbinden met een signaalwoord van tijd.
  • ZelfstandigHet signaalwoord kiezen dat de relatie aangeeft (omdat, maar, dus).
  • ToepassenBenoemen welke relatie een signaalwoord aangeeft.

Probeer het zelf

Zo ziet een opdracht eruit. In Stofferblik krijgt je kind steeds nieuwe opdrachten op zijn of haar niveau.

Niveau 1: Begrijpen

Welk signaalwoord past op de puntjes?

… we ontbijten, poetsen we onze tanden.

Niveau 2: Zelfstandig

Welk signaalwoord past op de puntjes?

Het regent, … we blijven binnen.

Niveau 3: Toepassen

Wat geeft het signaalwoord ‘dus’ aan?