Taal en spelling · groep 8

Tekst samenhangend maken

Je kind maakt een tekst samenhangend: kiest het passende verbindingswoord, gebruikt een duidelijk verwijswoord, zet zinnen in een logische volgorde en herkent inleiding, kern en slot.

Wat je kind oefent

  • BegrijpenHet verbindingswoord kiezen dat het verband tussen twee zinnen duidelijk maakt.
  • ZelfstandigEen verwijswoord kiezen dat duidelijk naar het goede woord verwijst.
  • ZelfstandigZinnen of alinea’s in een logische volgorde zetten.
  • ToepassenHerkennen of een alinea de inleiding, de kern of het slot van een tekst is.

Probeer het zelf

Zo ziet een opdracht eruit. In Stofferblik krijgt je kind steeds nieuwe opdrachten op zijn of haar niveau.

Niveau 1: Begrijpen

Welk woord past op de puntjes? ‘Ik wilde graag mee, … er was geen plek meer in de auto.’

Niveau 2: Zelfstandig

Welk woord past op de puntjes? ‘Lisa gaf de kat eten. Daarna ging … naar school.’

Niveau 3: Toepassen

Is deze alinea de inleiding, de kern of het slot van een tekst? ‘Wist je dat er in Nederland meer fietsen zijn dan mensen? In deze tekst lees je waarom Nederlanders zo veel fietsen.’