Taal en spelling · groep 5

Voorzetsel herkennen

Je kind herkent voorzetsels (op, in, onder, naast, achter, met, door) en kiest het voorzetsel dat past bij een plaats of situatie.

Wat je kind oefent

  • BegrijpenHet voorzetsel kiezen uit een rij woorden.
  • ZelfstandigHet voorzetsel in een zin aantikken.
  • ToepassenHet voorzetsel kiezen dat past (plaats of vaste combinatie).

Probeer het zelf

Zo ziet een opdracht eruit. In Stofferblik krijgt je kind steeds nieuwe opdrachten op zijn of haar niveau.

Niveau 1: Begrijpen

Welk woord is een voorzetsel?

Niveau 3: Toepassen

Welk voorzetsel past op de puntjes?

We gaan … de trein.