Taal en spelling · groep 8

Zinsdelen ordenen

Je kind ordent zinsdelen tot een goede zin, ziet dat de persoonsvorm in een mededelende zin op de tweede plaats staat (ook als een ander zinsdeel vooraan staat) en hoe de volgorde de nadruk of de betekenis verandert.

Wat je kind oefent

  • BegrijpenZinsdelen in een goede volgorde zetten tot een mededelende zin.
  • ZelfstandigZien dat de persoonsvorm in een mededelende zin altijd op de tweede plaats staat, ook als er iets anders dan het onderwerp vooraan staat.
  • ZelfstandigVan zinsdelen een vraagzin maken (persoonsvorm vooraan of na het vraagwoord).
  • ToepassenZien dat een andere volgorde de nadruk of de betekenis verandert.

Probeer het zelf

Zo ziet een opdracht eruit. In Stofferblik krijgt je kind steeds nieuwe opdrachten op zijn of haar niveau.

Niveau 1: Begrijpen

Maak een goede zin van deze zinsdelen: [Sam] [fietst] [elke dag] [naar school]

Niveau 2: Zelfstandig

Je begint de zin met ‘elke dag’. Welke zin is goed?

Niveau 2: Zelfstandig

Welke vraagzin is goed?