Taal en spelling · groep 7

Standaardtaal en dialect onderscheiden

Je kind onderscheidt standaardtaal en dialect of streektaal: herkent een dialectzin, weet wanneer je standaardtaal gebruikt en zegt wat een dialectwoord betekent.

Wat je kind oefent

  • BegrijpenKiezen welke zin standaardtaal is en welke dialect of streektaal.
  • ZelfstandigKiezen in welke situatie je standaardtaal gebruikt en wanneer dialect past.
  • ToepassenDe betekenis van een bekend dialectwoord of streektaalwoord kiezen.

Probeer het zelf

Zo ziet een opdracht eruit. In Stofferblik krijgt je kind steeds nieuwe opdrachten op zijn of haar niveau.

Niveau 1: Begrijpen

Is dit standaardtaal of dialect/streektaal? ‘Goedemorgen, hoe gaat het met u?’

Niveau 2: Zelfstandig

Wat past in deze situatie? Een carnavalslied in Limburg

Niveau 3: Toepassen

Wat betekent het Brabantse woord ‘houdoe’?