Taal en spelling · groep 6

Tijdsprongen herkennen

Je kind herkent tijdsprongen in een verhaal: een sprong vooruit (twee weken later), een terugblik naar vroeger, en zet gebeurtenissen in de goede volgorde.

Wat je kind oefent

  • BegrijpenAan een signaalwoord een tijdsprong herkennen.
  • ZelfstandigHerkennen dat een stukje over vroeger gaat (terugblik).
  • ToepassenDe gebeurtenissen in de volgorde zetten waarin ze echt gebeurden.

Probeer het zelf

Zo ziet een opdracht eruit. In Stofferblik krijgt je kind steeds nieuwe opdrachten op zijn of haar niveau.

Niveau 1: Begrijpen

Wat gebeurt er in deze zin met de tijd in het verhaal?

Een jaar later stond Mila weer bij de oude boom.

Niveau 2: Zelfstandig

Welke zin is een terugblik naar vroeger?

Lisa keek naar de foto. Ze was zes, en haar vader tilde haar hoog op het strand. Nu was ze twaalf en woonde ze in de stad.