Taal en spelling · groep 5

Karaktereigenschappen beschrijven

Je kind leidt uit wat een personage doet en zegt een karaktereigenschap af (behulpzaam, eerlijk, jaloers, dapper) en onderbouwt die met de tekst.

Wat je kind oefent

  • BegrijpenBij gedrag de passende eigenschap kiezen.
  • ZelfstandigHet stukje tekst kiezen dat de eigenschap laat zien.
  • ToepassenZien hoe een personage verandert in het verhaal.

Probeer het zelf

Zo ziet een opdracht eruit. In Stofferblik krijgt je kind steeds nieuwe opdrachten op zijn of haar niveau.

Niveau 1: Begrijpen

Welke karaktereigenschap past bij dit gedrag?

Emma blijft thuis op de bank liggen en doet niets.

Niveau 2: Zelfstandig

Kees is heel eerlijk. Welke zin laat dat zien?

Niveau 3: Toepassen

Hoe verandert het personage?

In het begin durft Noor niet te zwemmen. Aan het eind springt ze als eerste in het diepe.