Taal en spelling · groep 6

Literaire begrippen toepassen

Je kind gebruikt literaire begrippen bij een tekst: hoofdpersoon, verteller (ik-verteller of hij/zij), plaats en tijd, dialoog, rijm, strofe en vergelijking.

Wat je kind oefent

  • BegrijpenHet begrip kiezen bij een voorbeeld.
  • ZelfstandigRijm, strofe en herhaling in een gedicht herkennen.
  • ToepassenPlaats, tijd en dialoog in een verhaalfragment aanwijzen.

Probeer het zelf

Zo ziet een opdracht eruit. In Stofferblik krijgt je kind steeds nieuwe opdrachten op zijn of haar niveau.

Niveau 1: Begrijpen

Welk literair begrip past bij dit voorbeeld?

Haar haar was zo zwart als de nacht.

Niveau 2: Zelfstandig

Welke woorden rijmen in de eerste strofe?

De zon komt op, de dag is jong, / ik hoor een merel die al zong. ¶ De wind blaast zacht, het gras is nat, / ik loop alleen over het pad.

Niveau 3: Toepassen

Waar speelt dit verhaal?

Het was een koude ochtend in de haven van Harlingen. ‘Waar is de boot?’ riep Jesse. Zijn opa wees naar de mist. ‘Daar, achter de vuurtoren.’