Rekenen · groep 7

Aftrekken met kommagetallen

Je kind trekt kommagetallen van elkaar af, ook met een verschillend aantal decimalen, met geld en maten en van een heel getal, en controleert met een schatting.

Wat je kind oefent

  • BegrijpenTwee kommagetallen met evenveel decimalen aftrekken.
  • ZelfstandigAftrekken met een verschillend aantal cijfers achter de komma (aanvullen met een nul).
  • ZelfstandigVerschil of wisselgeld uitrekenen met geld, lengte en gewicht.
  • ToepassenEen kommagetal aftrekken van een heel getal.
  • ToepassenMet een schatting controleren of een uitkomst kan kloppen.

Probeer het zelf

Zo ziet een opdracht eruit. In Stofferblik krijgt je kind steeds nieuwe opdrachten op zijn of haar niveau.

Niveau 1: Begrijpen

516,7 − 380,8 = ?

Niveau 2: Zelfstandig

747,2 − 5,76 = ?

Niveau 2: Zelfstandig

Op de 100 meter zwemt Noor 11,29 seconden. Een week later 10,86 seconden. Hoeveel seconden sneller is dat?