Verwijswoorden begrijpen
Je kind weet waar een verwijswoord (hij, zij, het, die, dat, daar, ze) naar verwijst en tikt het woord aan waar het naar verwijst.
Wat je kind oefent
- BegrijpenVerwijzing naar een persoon of dier (hij, zij, ze).
- ZelfstandigVerwijzing naar een ding of plaats (het, die, dat, daar).
- ZelfstandigIn de tekst het woord aantikken waar het verwijswoord naar verwijst.
- ToepassenEen verwijzing naar iets in een eerdere zin of een groter stuk tekst.
Probeer het zelf
Zo ziet een opdracht eruit. In Stofferblik krijgt je kind steeds nieuwe opdrachten op zijn of haar niveau.