Taal en spelling · groep 5

Verwijswoorden begrijpen

Je kind weet waar een verwijswoord (hij, zij, het, die, dat, daar, ze) naar verwijst en tikt het woord aan waar het naar verwijst.

Wat je kind oefent

  • BegrijpenVerwijzing naar een persoon of dier (hij, zij, ze).
  • ZelfstandigVerwijzing naar een ding of plaats (het, die, dat, daar).
  • ZelfstandigIn de tekst het woord aantikken waar het verwijswoord naar verwijst.
  • ToepassenEen verwijzing naar iets in een eerdere zin of een groter stuk tekst.

Probeer het zelf

Zo ziet een opdracht eruit. In Stofferblik krijgt je kind steeds nieuwe opdrachten op zijn of haar niveau.

Niveau 1: Begrijpen

Naar wie of wat verwijst ‘ze’?

Vissen en vogels denken dat het eten is. Daardoor worden ze ziek.

Niveau 2: Zelfstandig

Naar wie of wat verwijst ‘Die’?

Opa heeft een nieuwe fiets. Die is knalrood.

Niveau 3: Toepassen

Naar wie of wat verwijst ‘Dat’?

Tim vergat zijn gymtas. Dat was niet de eerste keer.