Taal en spelling · groep 5

Hoofd- en bijzaken onderscheiden

Je kind onderscheidt hoofdzaken (nodig om de tekst te begrijpen) van bijzaken (extra informatie, voorbeelden, details).

Wat je kind oefent

  • BegrijpenBij een zin uit de tekst kiezen: hoofdzaak of bijzaak.
  • ZelfstandigAlle hoofdzaken uit een lijstje kiezen.
  • ToepassenKiezen welke zin je kunt weglaten zonder dat de tekst onduidelijk wordt.

Probeer het zelf

Zo ziet een opdracht eruit. In Stofferblik krijgt je kind steeds nieuwe opdrachten op zijn of haar niveau.

Niveau 1: Begrijpen

Is dit een hoofdzaak of een bijzaak? ‘Bevers bouwen dammen van bomen.’

Weet jij welk dier een echte bouwer is? Dat is de bever. Bevers leven in Nederland langs rivieren en meren. ¶ Een bever knaagt met zijn sterke tanden bomen om. Daarmee bouwt hij een dam in het water. Doordat de dam het water tegenhoudt, ontstaat er een diepe vijver. In die vijver bouwt de bever zijn burcht. De ingang ligt onder water, zodat vossen er niet in kunnen. ¶ Vroeger kwamen er in Nederland bijna geen bevers meer voor. Nu zijn het er weer duizenden. De bever is dus een echte terugkeerder.

Niveau 3: Toepassen

Welke zin kun je weglaten zonder dat de tekst onduidelijk wordt?

Weet jij welk dier een echte bouwer is? Dat is de bever. Bevers leven in Nederland langs rivieren en meren. ¶ Een bever knaagt met zijn sterke tanden bomen om. Daarmee bouwt hij een dam in het water. Doordat de dam het water tegenhoudt, ontstaat er een diepe vijver. In die vijver bouwt de bever zijn burcht. De ingang ligt onder water, zodat vossen er niet in kunnen. ¶ Vroeger kwamen er in Nederland bijna geen bevers meer voor. Nu zijn het er weer duizenden. De bever is dus een echte terugkeerder.