Standaardtaal en dialect onderscheiden
Je kind onderscheidt standaardtaal en dialect of streektaal: herkent een dialectzin, weet wanneer je standaardtaal gebruikt en zegt wat een dialectwoord betekent.
Wat je kind oefent
- BegrijpenKiezen welke zin standaardtaal is en welke dialect of streektaal.
- ZelfstandigKiezen in welke situatie je standaardtaal gebruikt en wanneer dialect past.
- ToepassenDe betekenis van een bekend dialectwoord of streektaalwoord kiezen.
Probeer het zelf
Zo ziet een opdracht eruit. In Stofferblik krijgt je kind steeds nieuwe opdrachten op zijn of haar niveau.