Taal en spelling · groep 4

Hoofdpersonage bepalen

Je kind bepaalt in een kort verhaal wie de hoofdpersoon is (over wie het vooral gaat, wie het meest meemaakt) en wat die wil of voelt.

Wat je kind oefent

  • BegrijpenDe hoofdpersoon kiezen: over wie gaat het verhaal vooral?
  • ZelfstandigZeggen wat de hoofdpersoon wil of zoekt.
  • ToepassenDe hoofdpersoon onderscheiden van een bijfiguur die ook in het verhaal voorkomt.

Probeer het zelf

Zo ziet een opdracht eruit. In Stofferblik krijgt je kind steeds nieuwe opdrachten op zijn of haar niveau.

Niveau 1: Begrijpen

Over wie gaat het verhaal vooral?

Het was donker in huis. Tim hoorde een vreemd geluid boven op zolder. Kraak … kraak … Zijn hart bonsde. Langzaam liep hij de trap op. Hij deed de deur van de zolder heel voorzichtig open. Twee groene ogen keken hem aan. Het was Poes! Ze speelde met een bal.

Niveau 2: Zelfstandig

Wat wil Tim in het verhaal?

Het was donker in huis. Tim hoorde een vreemd geluid boven op zolder. Kraak … kraak … Zijn hart bonsde. Langzaam liep hij de trap op. Hij deed de deur van de zolder heel voorzichtig open. Twee groene ogen keken hem aan. Het was Poes! Ze speelde met een bal.

Niveau 3: Toepassen

Is Raaf de hoofdpersoon van dit verhaal?

Vos had honger. Hij zag Raaf in een boom zitten met een stuk kaas in haar snavel. ‘Wat zing jij mooi,’ zei Vos. ‘Zing eens een liedje voor mij!’ Raaf was trots en deed haar snavel open. Plof! De kaas viel naar beneden. Vos pakte de kaas en rende weg.