Taal en spelling · groep 4

Gebeurtenissen ordenen

Je kind zet de gebeurtenissen van een kort verhaal in de goede volgorde en herkent begin, midden en eind.

Wat je kind oefent

  • BegrijpenDrie of vier gebeurtenissen in de goede volgorde zetten.
  • ZelfstandigKiezen wat aan het begin of aan het eind van het verhaal gebeurt.
  • ToepassenKiezen wat er direct na een gebeurtenis gebeurde.

Probeer het zelf

Zo ziet een opdracht eruit. In Stofferblik krijgt je kind steeds nieuwe opdrachten op zijn of haar niveau.

Niveau 2: Zelfstandig

Wat gebeurt er aan het begin van het verhaal?

Vos had honger. Hij zag Raaf in een boom zitten met een stuk kaas in haar snavel. ‘Wat zing jij mooi,’ zei Vos. ‘Zing eens een liedje voor mij!’ Raaf was trots en deed haar snavel open. Plof! De kaas viel naar beneden. Vos pakte de kaas en rende weg.

Niveau 3: Toepassen

Wat gebeurde er direct nadat: ‘Tim hoorde een vreemd geluid’?

Het was donker in huis. Tim hoorde een vreemd geluid boven op zolder. Kraak … kraak … Zijn hart bonsde. Langzaam liep hij de trap op. Hij deed de deur van de zolder heel voorzichtig open. Twee groene ogen keken hem aan. Het was Poes! Ze speelde met een bal.